Werknemer is op 1 augustus 2013 voor de duur van vier maanden bij werkgever in dienst getreden als buitendienstmedewerker. Werkgever heeft al na tien dagen, op 11 augustus 2013, de samenwerking met werknemer beëindigd. Vervolgens heeft werknemer zich op internet veelvuldig negatief over werkgever uitgelaten. Werknemer heeft onder meer websites gericht tegen werkgever opgezet en video’s en overige negatieve content op online (social) media geplaatst.

 

Eerste uitspraak, kantonrechter

De kantonrechter heeft werknemer in een procedure bij verstekvonnis veroordeeld om onder meer de berichten over voormalig werkgever van zijn eigen website(s), Youtube en de website van Vara Kassa te verwijderen. Daarbij werd werknemer tevens veroordeeld om op alle websites een rectificatie te plaatsen.

 

Werknemer verleent echter op geen enkele wijze zijn medewerking aan het vonnis van de kantonrechter en breidt zijn onrechtmatige handelingen zelfs uit door nog meer negatieve berichtgeving over werkgever op internet te plaatsen. Werkgever dagvaardt werknemer hierop nogmaals.

 

Tweede uitspraak, voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter oordeelt (onder meer) dat werknemer zich dient te onthouden van het op internet plaatsen van negatieve uitlatingen over werkgever, op straffe van een dwangsom.

Werknemer heeft vervolgens het maximale bedrag aan dwangsommen ter hoogte van € 50.000,- verbeurd, waarvoor werkgever executoriaal beslag heeft gelegd op de inboedel van werknemer.

 

Derde uitspraak, voorzieningenrechter

In de onderhavige procedure vordert werkgever onder meer de toepassing van lijfsdwang toe te staan indien werknemer zich niet houdt aan de eerder jegens hem uitgesproken veroordelingen.

  

Overwegingen voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter ziet zich geconfronteerd met de vordering van werkgever tot het toestaan van de toepassing van lijfsdwang. De voorzieningenrechter oordeelt daarover onder meer als volgt.

Er bestaat volgens de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om de gevorderde lijfsdwang toe te passen. Immers, vast is komen te staan dat werknemer geen gehoor heeft gegeven aan de eerdere veroordelingen die jegens hem zijn uitgesproken.

 

Ook het opleggen van een dwangsom aan werknemer heeft vervolgens niet het gewenste effect gesorteerd. Alle dwangsommen zijn betekend en ondanks het executoriaal in beslag nemen van zijn inboedel heeft werknemer niet aan de eerdere jegens hem uitgesproken veroordelingen voldaan. Verdere beslaglegging – op het inkomen van werknemer – bleek vanwege reeds gelegde beslagen niet mogelijk.

 

De voorzieningenrechter overweegt dat werkgever zich overigens nog coulant jegens werknemer heeft opgesteld door aan te geven dat hij zijn inboedel terug kan krijgen – en dat geen verdere stappen tegen hem zullen worden ondernomen – indien hij zijn onrechtmatige handelingen staakt.

 

Als reactie op het voorstel van werkgever heeft werknemer vervolgens gedreigd om met zijn gedragingen door te gaan indien hij niet alsnog een geldbedrag van werkgever ontvangt. Werknemer heeft daarmee volgens de voorzieningenrechter op overtuigende wijze gedemonstreerd dat hij niet gevoelig is voor de dwangsom als pressiemiddel.

 

De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van werkgever bij toepassing van lijfsdwang af tegen het belang van de werknemer tegen toepassing daarvan. De voorzieningenrechter overweegt dat de belangen van werkgever al ruim een jaar worden geschaad door de onrechtmatige uitlatingen van werknemer die op internet circuleren. De vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang wordt door de voorzieningenrechter dan ook voorwaardelijk toegewezen. Voor zover werknemer kan aantonen dat hij duidelijk traceerbare inkomstenbronnen of vermogen heeft dat voor verhaal en beslaglegging beschikbaar is, is werkgever niet tot het opleggen van lijfsdwang bevoegd. De lijfsdwang mag vervolgens per sommatie van werkgever steeds uiterlijk twee weken en in totaal niet langer dan drie maanden duren.