Op 9 januari 2015 heeft de Hoge Raad duidelijkheid gecreëerd door te oordelen dat het gelijktijdig sluiten van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een vaststellingsovereenkomst met een einde op termijn niet mogelijk is. Eerder oordeelde het hof Den Bosch op 30 juli 2013 nog dat dit wel mogelijk was. De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld dat de zogenaamde ‘ketenregeling’ niet op voorhand met een vaststellingsovereenkomst kan worden omzeild.   

 

De ketenregeling houdt kort gezegd het volgende in. Wanneer meer dan drie tijdelijke arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen elkaar opvolgen ontstaat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien deze arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met onderbrekingen van hoogstens drie maanden. Verder volgt uit de ketenregeling dat wanneer twee of meer tijdelijke arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen elkaar hebben opgevolgd (met onderbrekingen van hoogstens drie maanden) en meer dan 36 maanden hebben geduurd, de laatste arbeidsovereenkomst een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt.

 

In bovengenoemde zaak was als gevolg van de ketenregeling met het sluiten van een vierde arbeidsovereenkomst automatisch een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Werkgever probeerde dit te voorkomen door gelijktijdig met een vierde arbeidsovereenkomst een beëindigingsovereenkomst te sluiten. De feiten waren als volgt.

 

Feiten

Werknemer is op 18 augustus 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden als projectleider bij werkgever. De arbeidsovereenkomst is vervolgens tweemaal verlengd. Op 18 februari 2011 hebben partijen een vierde arbeidsovereenkomst gesloten. Bij de vierde arbeidsovereenkomst is een vaststellingsovereenkomst gevoegd waarin partijen onder meer zijn overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd per 1 januari 2012 zal eindigen.  

 

Eerste aanleg

Werknemer stelt dat de vaststellingsovereenkomst in strijd is met de ketenregeling. Ook zou zijn instemming met de vaststellingsovereenkomst tegen zijn wil zijn afgedwongen. Werknemer vordert in de procedure een verklaring voor recht dat de opzegging nietig is. Daarnaast vordert hij onder meer doorbetaling van zijn loon. De kantonrechter heeft de verklaring voor recht afgewezen, maar de loonvordering toegewezen.

 

Hoger beroep

Het hof Den Bosch heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van werknemer alsnog afgewezen. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012 is geëindigd. Het hof overwoog dat partijen geen vierde tijdelijke arbeidsovereenkomst hadden gesloten, maar een overeenkomst voor onbepaalde tijd met een gelijktijdig gesloten vaststellingsovereenkomst. Daarnaast zou deze handelswijze, die in strijd is met dwingend recht, zijn toegestaan, omdat de overeenkomst een vaststelling is ter beëindiging van onzekerheid of een geschil.  

 

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt over de klachten in cassatie als volgt. Het hof heeft volgens de Hoge Raad ten onrechte alleen gekeken naar de bewoordingen van de vierde arbeidsovereenkomst en de beëindigingsovereenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dan wel onbepaalde tijd zijn overeengekomen, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Volgens de Hoge Raad is het in bijzonder van belang dat partijen in samenhang met de schriftelijke arbeidsovereenkomst de hiervoor genoemde ‘vaststellingsovereenkomst’ hebben gesloten, waarin beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd per 1 januari 2012 is overeengekomen. Het hof heeft volgens de Hoge Raad dan ook miskend dat vaststaat dat partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten en dat de vaststellingsovereenkomst daaraan niet kan afdoen.

 

De tweede klacht gaat over het oordeel van het hof dat een vaststelling ter voorkoming van een (toekomstig) geschil in strijd mag komen met bepalingen van dwingend recht. De Hoge Raad stelt vast dat rechtsgeldig een vaststellingsovereenkomst kan worden gesloten ter voorkoming van een (toekomstig) geschil. De vaststelling mag alleen in strijd komen met dwingend recht indien dit strekt ter beëindiging van een – reeds bestaand – geschil en dus niet ter voorkoming daarvan. De Hoge Raad legt uit dat een andere opvatting het anders mogelijk zou maken de werking van dwingend recht op voorhand uit te sluiten en daarmee het dwingende karakter te omzeilen.

 

Conclusie

De Hoge Raad heeft hiermee dan ook bepaald dat de ketenregeling niet op voorhand met een vaststellingsovereenkomst kan worden omzeild. Een wettelijke manier om de ketenregeling te omzeilen is om na een tussenpoos van drie maanden (en één dag) – en per 1 juli 2015 van zes maanden (en één dag) – de vierde arbeidsovereenkomst te sluiten. Mijn inziens is het een goede ontwikkeling dat de Hoge Raad korte metten heeft gemaakt met deze constructie.

 

Vanaf 1 juli 2015 is het overigens zaak om alert te zijn, omdat als gevolg van de nieuwe wetgeving onder meer de ketenregeling wordt gewijzigd. Het is vanaf dan alleen nog mogelijk om drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te sluiten voor een maximale periode van 24 maanden. Verder zal er voor een onderbreking van de ketenregeling een tussenpoos van zes maanden in plaats van drie maanden gelden.