Op 20 mei 2014 heeft het Hof ’s-Hertogenbosch geoordeeld dat een ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat werkgever geen dringende reden voor ontslag op staande voet had en in strijd handelde met artikel 7:638 BW.

 

Uit artikel 7:638 BW volgt dat de werkgever werknemer elk jaar in de gelegenheid moet stellen om vakantie op te nemen waarop de werknemer minimaal recht heeft. De vaststelling van de vakantiedagen gebeurt overeenkomstig de (schriftelijke) wensen van de werknemer tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Indien de werkgever niet binnen twee weken nadat werknemer zijn wensen kenbaar heeft gemaakt, schriftelijk aan werknemer gewichtige redenen heeft aangevoerd, is de vakantie vastgesteld conform de wensen van werknemer.