Werknemer is op 15 februari 2004 voor onbepaalde tijd bij werkgever in dienst getreden in de functie van begeleider nachtdienst. Werkgever exploiteert een instelling die intensieve zorg biedt aan (jong)volwassenen met complexe gedrags- en psychiatrische problemen. Het volgende heeft zich in deze zaak voorgedaan.

In de nacht van 9 op 10 juni 2013 heeft zich tijdens de nachtdienst van werknemer een incident voorgedaan, waarbij een patiënt – een man met een fors postuur en de verstandelijke vermogens van een 5-jarige – op de grond ging liggen en begon te spartelen en te schreeuwen. Werknemer heeft vervolgens met een collega geprobeerd om de man te verplaatsen. Doordat de man over de vloerbedekking schuurde, heeft hij een grote schaafwond opgelopen op zijn rug. Werkgever vordert vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft de ontbinding afgewezen ., omdat de bij het incident betrokken medewerkers naar beste bevinden zouden hebben gehandeld en hen derhalve geen verwijt viel te maken.

Na de afwijzing van het verzoek door de kantonrechter is op verzoek van werkgever een mediationprocedure tussen partijen gestart. .

Sinds het incident is werknemer arbeidsongeschikt.  In maart en april 2014 is werknemer zelfs opgenomen in een verslavingskliniek. Voordat het incident plaatsvond, heeft verweerder echter nimmer ziekteverzuim gekend. Werkgever wendt zich dan ook voor een tweede keer tot de kantonrechter.

 

Vordering en verweer

Werkgever verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van een wijziging van omstandigheden. Volgens werkgever is sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk.. Werkgever voert daartoe aan dat ook de mediation niet tot een oplossing heeft geleid. Werkgever  ziet niet in hoe nog een vruchtbare inzet van werknemer kan worden bewerkstelligd. Gezien het feit dat werknemer zich wel heeft ingezet ten behoeve van de mediation, is werkgever bereid om een vergoeding van C=1 (€ 28.340,28) aan werknemer te betalen.

Werknemer voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek. Ter zitting geeft werknemer aan zich bij het verzoek neer te leggen indien hij aanspraak maakt  op een vergoeding van C=5 (€ 145.152,30).

 

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter oordeelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden uitgesproken, omdat werknemer zich niet meer verzet tegen de ontbindingDe kantonrechter overweegt vervolgens bij  dat  de hoogte van de vergoeding afhankelijk is van het antwoord op de vraag aan wie het ontstaan van die breuk is te verwijten. De kantonrechter neemt het werkgever kwalijk dat zij werknemers  meteen in het ‘beklaagdenbankje’ heeft gezet, op non-actief heeft gesteld en Hoffmann bedrijfsrecherche op hen heeft afgestuurd. Het was beter geweest als werkgever op een normale manier had gecommuniceerd met de bij het incident betrokken medewerkers. Daarnaast valt werkgever te verwijten dat zij niet heeft willen luisteren naar de redelijke uitleg van de werknemers over de aanpak van de bewoner in de bewuste nacht, maar direct heeft ingezet op ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de zwaarst mogelijke grond. Verder verwijt de kantonrechter werkgever dat zij in de mediationprocedure werknemer steeds voorhield dat hij moest leren van zijn fouten om herhaling in de toekomst te voorkomen. Hiervoor was de mediation niet bedoeld. Door zich op deze manier te gedragen en halsstarrig vast te houden aan haar eigen gelijk, heeft werkgever zich een slecht verliezer getoond.  daarnaast is zij de toezegging niet nagekomen om werknemer in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden te hervatten. De kantonrechter rekent het werkgever aan dat zij niet bekwaam is gebleken de eerdere beschikking van de kantonrechter op waarde te schatten en daarnaar te handelen. Hierdoor heeft  zij veel te lang de re-integratie van werknemer en de door hem gewenste feitelijke terugkeer op het werk geblokkeerd. De kantonrechter neemt aan dat de arbeidsongeschiktheid van werknemer enkel daardoor is blijven bestaan en intussen aanzienlijk is verergerd. Een beroep van werkgever op predispositie van werknemer mag niet meer baten. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst en kent aan weknemer een vergoeding toe van C=5 (141.701,40).