De kantonrechter te Apeldoorn boog zich onlangs over de vraag of er sprake was van opvolgend werkgeverschap na faillissement en of hierdoor tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan.

 

Juridisch kader

In de wet is in artikel 7:668a BW geregeld onder welke omstandigheden een tussen partijen overeengekomen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dient worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Kort gezegd is hiervan sprake indien – met een onderbreking van niet meer dan drie maanden – (meerdere) arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een totale duur van 36 maanden overschrijden, of indien partijen meer dan drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn overeengekomen. Deze zogenaamde ‘ketenregeling’ geldt ook in geval van opvolgend werkgeverschap. Uit twee arresten van de Hoge Raad van mei 2012 volgt dat voor de toepasselijkheid van de ketenregeling bij opvolgend werkgeverschap sprake dient te zijn van zodanige banden tussen beide werkgevers dat de opvolgende werkgever al enige kennis heeft kunnen opdoen over de werknemer en dat de nieuwe arbeidsovereenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige arbeidsovereenkomst. 

 

Feiten

Werknemer is sinds 1992 in dienst bij X BV die op 29 maart 2010 failliet is gegaan. De curator van X BV heeft de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en X BV op 6 april 2010 opgezegd. Vervolgens is de failliete onderneming doorgestart en heeft werknemer op 12 april 2010 met de doorgestarte onderneming (Y BV) een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten tot 12 oktober 2010, welke is verlengd tot 12 oktober 2011. Werkgever heeft werknemer in augustus 2011 medegedeeld dat zij niet de arbeidsovereenkomst verder zullen verlengen. Vanaf 12 oktober 2011 heeft werknemer zich beschikbaar gesteld voor werk, maar heeft hij feitelijk geen werkzaamheden meer uitgeoefend. Daarnaast heeft werknemer vanaf deze datum geen salaris meer ontvangen.