In artikel 7:668a BW is onder meer bepaald dat de vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

 

In de hierna volgende rechtszaak verkeerde de werkgever en werknemer in hun derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en stelde de werkgever voor om de einddatum van deze overeenkomst met een paar maanden op te rekken. Na afloop van de ‘opgerekte’ derde arbeidsovereenkomst stelde werknemer zich op het standpunt dat door de gewijzigde einddatum een vierde arbeidsovereenkomst was ontstaan en dat tussen partijen derhalve een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestond. Dit klinkt logisch, maar de rechter volgt de werknemer niet.

 

Feiten

Werknemer in deze zaak was sinds 11 januari 2012 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 11 juli 2012 in dienst van werkgever in de functie van tekenaar. Op 11 juli 2012 is de arbeidsrelatie voortgezet met een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 10 januari 2013. Vervolgens is een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten tot en met 1 juli 2013.

 

Op 20 juni 2013 heeft werknemer overleg gevoerd met werkgever, waarbij gezamenlijk werd besloten dat de duur van de derde arbeidsovereenkomst zou worden gewijzigd van zes naar elf maanden, tot 1 december 2013. Hiertoe hebben partijen een document met de naam ‘wijziging bestaande arbeidsovereenkomst’ ondertekend.

 

Na 1 december 2013 heeft werknemer geen werkzaamheden meer verricht en ook geen salaris meer ontvangen. De aanvraag van de ww-uitkering door werknemer is door het UWV geweigerd, omdat sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Er zouden immers meer dan drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten zijn gesloten.

 

Vordering werknemer

Werknemer stelt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en vordert van werkgever loon vanaf 1 december 2013.

 

Beoordeling voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter overweegt dat op basis van artikel 7:668a BW de vierde (opeenvolgende) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd automatisch wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

 

De voorzieningenrechter haalt in de beoordeling een door het Gerechtshof Arnhem op 26 juli 2011 gewezen arrest aan, waarin is besloten dat partijen bij zowel een arbeidsovereenkomst voor bepaalde als onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden nadere afspraken mogen maken en wijzigingen in de bepalingen van een arbeidsovereenkomst mogen aanbrengen. Dit geldt ook voor een wijziging van de duur waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan.

 

De voorzieningenrechter overweegt in dat verband wel dat aan deze mogelijkheid op enig moment een grens zit. Indien partijen deze handelwijze (bij herhaling) toepassen, kan het goed werkgeverschap ertoe leiden dat een tussen werknemer en werkgever gemaakte afspraak niet van toepassing is voor zover dat in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn. Dit laatste zal afhangen van alle omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat partijen in deze zaak eenmaal zijn overeengekomen dat de looptijd van de arbeidsovereenkomst van zes maanden is gewijzigd naar elf maanden, leidt niet tot de conclusie dat daarvan sprake is.

 

De stelling van werknemer dat werkgever bij het wijzigen van de arbeidsovereenkomst misbruik van omstandigheden heeft gemaakt gaat volgens de voorzieningenrechter niet op. Werkgever had onverwachts een grote opdracht gekregen, waardoor zij in ieder geval tot december 2013 veel tekenwerk moest afleveren. Na daartoe te hebben overlegd met het UWV, heeft werkgever aan werknemer aangeboden om de duur van de arbeidsovereenkomst te wijzigen. Indien werknemer hiermee niet akkoord zou gaan, zou de arbeidsovereenkomst van rechtswege op 1 juli 2013 eindigen. Werknemer heeft uitdrukkelijk met het voorstel ingestemd. De enkele omstandigheid dat hij dit heeft gedaan omdat anders zijn arbeidsovereenkomst op 1 juli 2013 zou eindigen, brengt niet mee dat hij daarbij op ontoelaatbare wijze onder druk is gezet.

 

De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet per 1 juli 2013 is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De tussen partijen bestaande (gewijzigde) arbeidsovereenkomst is derhalve op 1 december 2013 geëindigd. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.